Regeerakkoord: uitgebreid overzicht van de belangrijkste HR-maatregelen

Het regeerakkoord is af, dus kunnen HR-vakgenoten bekijken wat de gevolgen zijn voor de organisatie en de mensen die daar werken. Ontslag wordt eenvoudiger, de Wet DBA verdwijnt, payrolling gaat aan banden en een vast contract komt pas weer na drie jaar in beeld. Maar er komt ook langer kraamverlof en een kortere loondoorbetaling bij ziekte. Wat u nog meer kunt verwachten leest u hier, want Personeelsnet heeft de belangrijkste HR-maatregelen uit het regeerakkoord voor u op een rij gezet.

Volgens het nieuwe kabinet ‘knelt’ de arbeidsmarkt voor werkgevers én werknemers, waarbij te veel op werkgevers wordt afgewenteld. Werkgevers die fatsoenlijk omgaan met hun werknemers zijn in het nadeel, omdat handige concurrenten constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s bij anderen te leggen.

Gevolg is dat vaste werknemers, flexwerkers en zzp’ers onbedoeld concurrenten van elkaar zijn geworden. Mensen die een vaste baan willen, komen er gewoon niet tussen. De sleutel naar een eerlijker arbeidsmarkt ligt volgens het kabinet in de gelijktijdige beweging: vast werk minder vast maken en flexwerk minder flex. Echte zelfstandigen moeten de mogelijkheid houden om te ondernemen, maar het kabinet wil ook dat meer mensen vast werk krijgen met een contract voor onbepaalde tijd.

 

Werknemers krijgen meer loon en keuze-cao
De belastingen worden eenvoudiger en lager door een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Verder gaat de algemene heffingskorting omhoog, net als de arbeidskorting. Hierdoor gaan alle inkomensgroepen, maar vooral werkenden, er de komende jaren op vooruit.

Het inkomenspakket moet voor meer evenwicht zorgen tussen één- en tweeverdieners en maakt het -vooral voor werkenden met een middeninkomen – lonender om (meer) te werken.

Naast deze belastingmaatregelen, roept de coalitie ook bedrijven op die daar ruimte voor hebben, om de lonen te laten stijgen.

Werkgevers en vakbonden/werknemers moeten van het kabinet afspraken maken over de modernisering van cao’s: meer maatwerk, keuzevrijheid in de verdeling tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en meer aandacht voor de duurzame inzetbaarheid van werknemers. De Rijksoverheid gaat zelf als werkgever daarvoor het goede voorbeeld geven.

De lagere belastingen worden voor een groot deel betaald door verhoging van het lage BTW tarief van 6% naar 9%. Ook wordt de hypotheekrenteaftrek sneller verlaagd naar het tarief van de eerste belastingschijf. Sparen wordt iets lonender door aanpassing van de vermogensrendementsheffing.

 

Werkgeverschap moet makkelijker worden
Uit het regeerakkoord spreekt het voornemen om werkgevers beter te bedienen. Het kabinet grijpt de kans aan om pijnpunten uit de WWZ en andere wetten te verzachten of helemaal te schrappen.

Want door de stapeling van regels, kosten en risico’s zijn werkgevers terughoudend om personeel in dienst te nemen of een vast contract te bieden. Het kabinet wil dat het verschil tussen vast en flex kleiner wordt. Dit moet tot bestendiger arbeidsrelaties leiden.

 

Eenvoudiger ontslag door combinatie ontslaggronden
Sinds de invoering van de WWZ, merken werkgevers dat het moeilijker is om personeel te ontslaan. Dat komt omdat maar één van de ontslaggronden in de wet mag worden gebruikt voor de ontslagaanvraag.

In de praktijk zijn vaak meerdere gronden van toepassing (bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie). In die gevallen moet het weer mogelijk zijn om bij de rechter ontslag aan te vragen op basis van die cumulatie van omstandigheden.

Als compensatie voor de toepassing van meerdere ontslaggronden, staat hier voor de werknemer tegenover dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de reeds bestaande transitievergoeding).

 

Wijziging regels transitievergoeding
Werknemers krijgen voortaan vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding in plaats van na twee jaar.

Voor elk jaar in dienstverband, gaat de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan 10 jaar. De hoofdregel is nu nog 1/6 maandsalaris per elk half dienstjaar in de eerste 10 jaar van de arbeidsovereenkomst en een 1/4 maandsalaris per half dienstjaar voor een arbeidsovereenkomst van langer dan 10 jaar. De overgangsregeling voor 50-plussers blijft wel gehandhaafd.

De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding wordt ruimer. Kosten die zijn gemaakt voor het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever, mogen nu ook kennis en vaardigheden betreffen die (op een later moment) zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen, ook al betreft het een andere dan de huidige functie. Scholing binnen de eigen organisatie gericht op een andere functie kan ook in mindering kan worden gebracht op de transitievergoeding. Voor scholing gericht op inzetbaarheid binnen de eigen functie verandert er niets.

 

Scherpe randen transitievergoeding worden zachter
Het kabinet verzacht enkele ‘scherpe randen’ aan de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding, vooral voor MKB’ers:

  • Er komt compensatie voor werkgevers voor de verschuldigde transitievergoeding bij ontslag van een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • Geen transitievergoeding is verplicht bij ontslag om bedrijfseconomische redenen als een cao-regeling van toepassing is.
  • Tevens worden de criteria om in aanmerking te komen voor de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers ruimer en daarmee eenvoudiger.
  • Ook voor de situatie waarin een werkgever zijn bedrijf beëindigt wegens pensionering of ziekte, zal het kabinet met voorstellen komen om de transitievergoeding onder voorwaarden te compenseren.

 

Wijziging ketenbepaling: vast contract pas weer na 3 jaar
Het nieuwe kabinet wil de verschillen tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd kleiner maken. De keuze voor een contractvorm moet weer het gevolg zijn van de aard van het werk dat gedaan moet worden. Mensen moeten kunnen ontsnappen uit de ‘draaideur’ van tijdelijk contracten.

De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, gaat weer terug van twee naar drie jaar.

De tussenpoos in de ketenbepaling voor opvolgende contracten, verandert niet en blijft staan op zes maanden.
De coalitie wil wel meer ruimte voor sectoren om hiervan af te wijken, als het werk daarom vraagt. Dit is al zo voor seizoensarbeid, maar moet worden verruimd naar ander terugkerend tijdelijk werk dat ten hoogste in negen maanden kan worden verricht. De plek om hierover afspraken te maken is het overleg tussen sociale partners. Daar waar in een sector dit gesprek aantoonbaar niet tot een bevredigende uitkomst leidt, moet het – onder voorwaarden – mogelijk zijn voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om uiteindelijk een besluit te nemen.

In het primair onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalskrachten in verband met vervanging wegens ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.

 

Mogelijkheid voor langere proeftijd
Om werknemers te stimuleren vaker meteen een vast contract aan te bieden, wordt de mogelijkheid voor een langere proeftijd verruimd. Indien een werkgever direct (als eerste contract) een contract voor onbepaalde tijd aanbiedt, wordt de proeftijd verruimd naar vijf maanden.

Voor meerjaarscontracten (meer dan 2 jaar) wordt de proeftijd drie maanden. In overige gevallen blijft de proeftijd zoals deze nu is.

 

Payrolling moet terug naar de basis
Flexibiliteit op de arbeidsmarkt mag van de coalitie niet leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden of leiden tot excessen waarbij de flexibiliteit voor de werk- of opdrachtgever ten koste gaat van de arbeidsmarktkansen van de werkende.

In het verlengde daarvan, blijft payrolling wel mogelijk, maar wordt zo vormgegeven dat het een instrument is voor het ‘ontzorgen’ van werkgevers en niet (meer) voor concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het kabinet komt daarom met een wetsvoorstel waarin:

  • het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard,
  • werknemers qua (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener,
  • en de definitie van de uitzendovereenkomst ongemoeid blijft.

Het kabinet gaat het voorstel voor payrolling in samenhang behandelen met de voorstellen op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte, ontslagrecht en de aanpassing van de Wet DBA. Uitzendwerk en detachering staan niet ter discussie. Bij de uitwerking van het voorstel en de fundamentelere herziening hecht het kabinet aan overleg met de sociale partners.

 

Beschikbaarheid bij nulurencontracten aan banden
Nulurencontracten worden aan banden gelegd, omdat nu van mensen soms nodeloos permanente beschikbaarheid wordt verwacht die ten koste gaat van de mogelijkheden van werkenden om bijvoorbeeld andere (deeltijd)banen te accepteren.

Daarom wordt vastgelegd dat in deze situaties de werknemer niet, of binnen een bepaalde termijn niet, gehouden is gehoor te geven aan een oproep, of dat bij een afzegging recht op loon ontstaat.

 

Minder WW-premie voor vast contract
Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van het vast contract.

Momenteel worden de lasten van de eerste zes maanden WW per sector omgeslagen. In plaats hiervan wil het kabinet de WW-premie over de eerste zes maanden lager maken voor vaste contracten en hoger voor contracten voor bepaalde tijd. Hiermee wordt het contract voor onbepaalde tijd aantrekkelijker.

Het kabinet wil met de sociale partners bespreken hoe de WW-uitkering activerender kan worden vormgegeven.

 

Inhuur zelfstandigen: Wet DBA wordt afgeschaft
De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) heeft onrust gebracht waardoor teveel echte zelfstandige ondernemers zijn geraakt. De Wet DBA wordt daarom vervangen.

Via een webmodule beantwoordt de opdrachtgever vragen over de aard van de werkzaamheden om daarmee een ‘opdrachtgeversverklaring’ te verkrijgen. Daarbij wordt het begrip ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt (bijvoorbeeld dat het enkel moeten bijwonen van een vergadering op zichzelf geen indicatie van gezag is). Tevens zal het kabinet de wet zo aanpassen dat gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van de materiële in plaats van formele omstandigheden.

Een nieuwe wet moet enerzijds (de inhuurder van) echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant) voorkomen. Bij de uitwerking van de wet zullen veldpartijen betrokken worden en zijn zowel de handhaafbaarheid als de effecten op de administratieve lasten van belang.

 

Laag tarief = dienstverband
Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Wat een laag tarief is, wordt gedefinieerd als corresponderend met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon (de grens die bijvoorbeeld ook voor het lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt gehanteerd) of met de laagste loonschalen in cao’s. Er wordt één tarief gekozen om voor de gehele markt de onderkant af te bakenen. Op basis van de gehanteerde argumentatie zal dit tarief vermoedelijk liggen in een bandbreedte tussen de 15 en 18 euro per uur. Een langere duur wordt gedefinieerd als langer dan drie maanden.

Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandig ondernemers een ‘opt out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd, indien er sprake is van een hoog tarief in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Bij een ‘hoog tarief’ denkt het kabinet aan een tarief boven de 75 euro per uur. Een kortere duur wordt gedefinieerd als korter dan een jaar.

 

Zzp’er in de wet
Het kabinet bekijkt in overleg met sociale partners en veldpartijen of en hoe zelfstandig ondernemerschap via de invoering van een ondernemersovereenkomst een eigen plek kan krijgen in het burgerlijk wetboek. Dit zou de positie van zelfstandig ondernemers kunnen verhelderen en verstevigen.

Zelfstandigen hoeven zich niet verplicht te verzekeren, maar zelfstandigen die daarvoor willen kiezen moeten in beginsel toegang hebben tot de verzekeringsmarkt. Het kabinet zal in gesprek gaan met de verzekeraars om een beter verzekeringsaanbod te bevorderen.

 

Kortere loondoorbetaling bij ziekte voor MKB
Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen, wordt de loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) verkort van twee naar één jaar.

De verantwoordelijkheid voor loondoorbetaling en een aantal re-integratieverplichtingen in dat jaar gaan over naar het UWV (de ontslagbescherming van twee jaar blijft in stand). De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een uniforme lastendekkende premie, te betalen door kleine werkgevers.

Verder wordt de periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, verkort van tien jaar naar vijf jaar. Na de periode van premiedifferentiatie wordt een collectieve, uniforme premie geheven.

De gevolgen van de verkorting van de loondoorbetalingsperiode en de premiedifferentiatieperiode in de WGA zullen nauwkeurig worden gevolgd en eventueel aangepast. Het kabinet roept sociale partners op om voorstellen hiervoor te doen.

 

Meer prikkels in arbeidsongeschiktheidsregelingen
Voor personen die in de WIA zitten, wordt het aantrekkelijker om te gaan werken. In de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een baan, zal niet worden getoetst of het verdienvermogen van de werkhervatter is gewijzigd. Dit verlaagt de drempel voor werkhervatting.

Voor personen die in de toekomst instromen in de WIA, zal scherper gekeken worden naar geschikt werk bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid (het schattingsbesluit). Hierdoor zullen minder mensen volledig arbeidsongeschikt worden verklaard.

Ook voor nieuwe instroom in de WGA 80-100 (mensen met restverdiencapaciteit tussen 1 en 20%) wordt de prikkel richting werk versterkt. Concreet gaat voor het recht op de loonaanvullingsuitkering de eis gelden om 50% van de resterende verdiencapaciteit te benutten.

 

Werken met een beperking
Meer mensen met een beperking moeten betaald werk kunnen verrichten. De extra middelen hiervoor worden opgebracht door het instrument van loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie.

Werkgevers kunnen daarmee onder het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de persoon in kwestie. De gemeente vult afhankelijk van de gemeentelijke inkomensvoorziening waar de betrokkene gebruik van maakt, het inkomen aan.

 

Partnerverlof bij geboorte
Het huidige kraamverlof geeft partners na de bevalling het recht op twee dagen verlof, op te nemen binnen vier weken, waarbij werkgevers het volledige loon doorbetalen. Dit wordt per 1 januari 2019 verlengd naar vijf dagen. Deze uitbreiding komt in plaats van het reeds ingediende wetsvoorstel ‘uitbreiding kraamverlof’, dat voorziet in 3 dagen extra kraamverlof met uitkering door UWV.

 

Aanvullend kraamverlof voor partners
Partners krijgen aanvullend kraamverlof van vijf weken per 1 juli 2020. Dit verlof dient te worden opgenomen in het eerste half jaar na geboorte. Tijdens het verlof ontvangt de werknemer een uitkering van het UWV, tegen 70% van het dagloon (tot ten hoogste 70% van het maximum dagloon).

 

Verruiming adoptieverlof
Tevens wordt de huidige regeling voor adoptieverlof verruimd met 2 weken naar 6 weken. Deze uitbreiding geldt ook voor pleegouders.

 

Meer geld voor gezinnen met kinderen
Het kabinet trekt 250 miljoen euro per jaar extra uit voor de kinderopvangtoeslag. Ouderparticipatiecrèches behouden hun bestaansrecht.

Gezinnen worden daarnaast ondersteund met een verhoging van de kinderbijslag (250 miljoen euro) en het kindgebonden budget (bijna 500 miljoen euro extra).

De nieuwe financiering voor de kinderopvang, waarbij sprake is van een directe financieringsstroom van het Rijk naar kinderopvanginstellingen, wordt verder uitgewerkt.

 

Individuele leerrekening voor iedereen
Veel werkenden doen tijdens hun loopbaan weinig aan bijscholing, vooral lager opgeleiden en ouderen. Om er voor te zorgen dat iedereen zich na het afstuderen kan blijven ontwikkelen, wil het kabinet de fiscale aftrekpost voor scholingskosten vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben gehaald.

Deze rekening moet het levenlanglerenbeleid vanuit de overheid bundelen. Met sociale partners en onderwijsinstellingen worden afspraken gemaakt over hun bijdrage aan levenlang leren bij de invoering van deze scholingsregeling. Hierbij wordt ook de positie van de O&O-fondsen betrokken. Daarbij is het relevant dat mogelijkheden voor werkgevers worden verruimd om investeringskosten in de inzetbaarheid van werknemers binnen de eigen organisatie in mindering te brengen op de transitievergoeding.

 

Leeftijdsbewust personeelsbeleid wordt verplicht
Om een cultuuromslag te bewerkstelligen voor ouderen op de arbeidsmarkt is een ambitieus leeftijdsbewust personeelsbeleid nodig. Het kabinet verwacht van sociale partners dat ze hier niet- vrijblijvende afspraken over maken, met aandacht voor scholing, intersectorale mobiliteit, zicht op minder belastend werk en de nut en noodzaak van specifieke voorzieningen voor ouderen in cao’s.

Mocht naar het inzicht van het kabinet te weinig voortgang worden geboekt om hier serieus invulling aan te geven, dan zal het kabinet – na hierover het gesprek te zijn aangegaan met sociale partners – niet aarzelen om daaraan consequenties te verbinden.

 

Ouderen hoeven huis niet op te eten
Voor oudere werknemers die werkloos of arbeidsongeschikt worden, wordt de Wet Inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW) verlengd met vier jaar, zodat deze werknemers na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven ‘op te eten’ voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning.

Met het oog op de stijgende participatiegraad van oudere werknemers en de betaalbaarheid van de regeling, zal de IOW worden aangepast door de leeftijdsgrens vanaf 2020 te laten meestijgen met de AOW-leeftijd.

 

Aandacht voor arbeidsmarktdiscriminatie
Het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie krijgt een vervolg, waarbij onder andere aandacht wordt gegeven aan het bestrijden van discriminatie in sollicitatieprocedures, bij zwangerschap en een stevige handhavende rol voor de inspectie SZW.

 

Gelijk werk, gelijk loon
Concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen werknemers uit verschillende EU-lidstaten is ongewenst omdat het werknemers uit ons land verdringt. Gelijk werk op dezelfde plaats moet daarom beloond worden met gelijk loon.

EU-arbeidsmigranten bouwen znet als iedere Nederlander rechten op voor een werkloosheidsuitkering. Op dit moment tellen gewerkte weken in het land van herkomst ook mee in de opbouw van WW. Door een wachttijd te introduceren van 26 weken, geldt ook voor arbeidsmigranten dat zij eerst 26 weken in Nederland gewerkt moeten hebben, om in aanmerking te komen voor WW.

 

Vernieuwing van het pensioenstelsel
Het kabinet wil het pensioenstelsel hervormen, zodat het houdbaar blijft in de toekomst. De coalitie sluit daarvoor aan bij de contouren van een nieuw pensioenstelsel dat de SER heeft opgesteld. Het kabinet wil de stap naar een vernieuwd pensioenstelsel met de sociale partners zetten. Uitgangspunten zijn een persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, waarbij de herverdeling via de doorsneesystematiek wordt afgeschaft.

Mensen blijven samen risico’s delen. Pensioen blijft een levenslange uitkering waardoor je niet het risico loopt dat er geen geld meer over is als je langer leeft dan verwacht.

 

Vakcertificaat beroepsonderwijs
Het kabinet gaat het VMBO en MBO versterken en het succes van beroepsopgeleide jongeren vergroten door de overgang van VMBO naar MBO en van MBO naar HBO te verbeteren en om de mogelijkheid voor leerlingen te scheppen om niveau 1 of 2 binnen het VMBO af te ronden.

MBO-instellingen krijgen de mogelijkheid om aan studenten die aan een entree- of niveau 2-opleiding niet hun diploma halen, toch een vakcertificaat uit te reiken dat laat zien wat een student heeft geleerd. Studenten die een vakcertificaat hebben ontvangen, moeten op een later moment de gelegenheid hebben om alsnog een diploma te behalen

 

Maatschappelijke diensttijd geeft voorrang arbeidsmarkt
Jongeren mogen vrijwillig een maatschappelijke diensttijd vervullen van maximaal 6 maanden. Maatschappelijke organisaties kunnen ieder jaar bij medeoverheden projecten voorstellen die voor deze diensttijd in aanmerking komen.

Het vervullen van de maatschappelijke dienst geeft een diplomasupplement als getuigschrift van maatschappelijke betrokkenheid. Bij een sollicitatie naar een functie bij de overheid geldt het diplomasupplement als een pré. Met het bedrijfsleven worden afspraken gemaakt om hetzelfde te doen.

 

Minder regels voor ondernemers
Net als elk kabinet, belooft ook deze coalitie dat de wet- en regelgeving wordt gemoderniseerd zodat bedrijven met hun diensten en producten beter kunnen inspelen op maatschappelijke en technologische veranderingen. De regeldruk en administratieve lasten worden beperkt. Ook gaan inspecties beter samenwerken zodat de handhaving gepaard gaat met minder administratieve lasten en toezichtlasten.

 

Bron: Personeelsnet

  • Delen

leave a Comment